Laatste stop in Europa

We liggen nu een week in de haven van El Hierro, Puerto de Estaca. Zoals we eerder schreven ligt de haven prachtig, onder aan een hoge rotswand. De jachthaven is keurig, is nog maar een paar jaar oud, maar hij is niet af en waarschijnlijk blijft dat ook zo. Er zijn mooie beveiligde hekken voor de pontoons, maar de hekken staan al 2 jaar open, omdat de toegangspasjes niet goed genoeg werken. Van de toiletgebouwen is er maar één in gebruik en het hok met de wasmachines blijft op slot. Maar er is walstroom en water op de pontoons, dus daarmee komen we een heel eind. Het is ook de haven waar de ferry vanaf Tenerife aankomt en vertrekt. Behalve de vertrekhal van de ferry met een klein cafetaria en het kantoor van de enige havenpolitie-diender is hier verder niets. Het dichtstbijzijnde stadje, teven het hoofdstadje, Villa de Valverde, ligt bovenaan de eerdergenoemde rotswand, en dat is 500 meter hoger. Niet handig voor de boodschappen. Ongeveer tweemaal per dag gaat er een bus. Tja, we missen La Gomera, waar het haventje direct aan de hoofdstad lag, met de bakker, de supermarkt en de gezellige cafeetjes op loopafstand.

Natuurlijk hebben we eten genoeg aan boord, waaronder de zelfgevangen tonijn, dus we komen niets te kort. De eerste dagen zorgen we voor de boot, we zwemmen vanaf het zwarte strandje net buiten de haven, we maken een fietstocht langs de kust en we genieten van het mooie weer. We bakken ons eerste brood met de bakmachine, een succes! De overbrenging (homokineet) tussen schroefas en keerkoppeling sproeit vet. Het lukt me dit (voorlopig?) te repareren, helaas ten koste van een aantal nare vetvlekken op mijn kleren. Ja, die had ik natuurlijk eerst uit moeten doen! We regelen een huurauto, waarmee we in drie dagen het hele eiland verkennen. Het woord wat het meest in me opkomt is sprookjesachtig.

Net als in La Gomera wordt het hoogste deel van het eiland voor een groot deel ingenomen door nevelwoud met bovenin laurierbomen en lager pijnbomen. Maar het is hier nóg groener, de lagen mos op de bomen zijn nog dikker en feller gekleurd, waardoor het lijkt alsof de bomen dikke truien aan hebben van bijna fluorescerend groen. Elk moment kan er een kabouter tevoorschijn komen. In de pijnbossen staan de bomen relatief ver uit elkaar en groeit er verder niets op de bodem, die bedekt is met een dikke laag dennennaalden. Je ziet de feeën haast dansen. Het palet aan kleuren van het vulkanisch gesteente is indrukwekkend, de trollen kunnen nooit ver weg zijn.

In het noordwesten is een bos dat bestaat uit jeneverbesbomen, waarvan de kruinen, door de voortdurende geseling van de passaatwind, volledig opzij staan.
Ook dit eiland is door vulkanisme ontstaan. We bezoeken het bezoekerscentrum, waar o.a. een video wordt vertoond van de onderzeese uitbarstingen in 2011/2012, slechts enkele kilometers uit de kust.

De laatste autodag trakteren we onszelf op een lunch in een prachtige Mirador met uitzicht op El Golfo, waar een deel van het eiland ongeveer 600.000 jaar geleden in zee verdween, waarna er een uitgestrekte zeer vruchtbare laagvlakte overbleef. Er wordt hier van alles verbouwd, vooral de ananas wordt geëxporteerd.
Ondertussen houden we het weer nauwlettend in de gaten. We willen graag een nieuwe stap zetten, Europa achter ons laten, door naar de KaapVerden te varen. Maar er staat steeds teveel wind naar onze zin. Gisteren, maandag, hakten we de knoop in principe door, om vandaag te vertrekken. Dus we deden met de auto de laatste inkopen en maakten de boot klaar en Monique kookte al vast een paar maaltijden om later op te warmen. Maar vanochtend zag het er toch weer een stuk minder goed uit en nu lijkt het beter nog een dag of twee of drie te wachten. We hebben geen haast en we krijgen liever geen 35 knopen wind om onze oren, al komt die van achteren.
Even schakelen dus, de boot en wij weer terug in de relax-stand. Hee, hebben we ineens 2 dagen “over”! We pakken de klussenlijst er maar weer bij.

3 weken in het paradijs

Al voordat we aankwamen op La Gomera hadden we besloten daar zeker 3 of 4 weken te blijven. Aanvankelijk kregen we maar een reservering voor 2 weken. Hadden we er al over geschreven? Het is in alle marina’s overvol. Dat komt omdat er dit jaar veel meer boten onderweg zijn naar het zuiden. De helft had vorig jaar willen gaan, maar heeft het vertrek tot dit jaar uitgesteld. Daardoor zijn er overal twee keer zoveel jachten, en daarvoor is er onvoldoende capaciteit in de jachthavens. En de mogelijkheden om voor anker te gaan zijn op de Canarische eilanden beperkt. Je bent dus veel tijd kwijt met aanschrijven van marina’s en leuren om een plekje, vaak tevergeefs. Maar gelukkig kregen we een plek in La Gomera en het lukte ons aan de balie dat ook nog met een weekje te verlengen. 

De jachthaven ligt prachtig, bij het hoofdstadje San Sebastian, waar ook de ferry’s vanaf Tenerife aanmeren. Vrijwel iedere dag ligt er ook een cruise-schip, altijd in de vroege ochtend aangemeerd om dezelfde avond onder luid getoeter weer te vertrekken. De haven ligt direct onder een imposante rotswand. We liggen mooi beschut. Naast de haven is een strand (met zwart zand!), waar de plaatselijke bevolking en de gasten zwemmen. Het stadje is liefelijk, met een plein met eeuwenoude laurierbomen. Columbus kwam hier graag, maakte vanaf hier zijn eerste ontdekkingsreis naar Zuid-Amerika. De vrouw van de gouverneur zou lang zijn maîtresse geweest zijn. We snappen heel goed dat dit eiland allerlei romantische gevoelens naar boven haalt.
Het is heerlijk om hier een tijd te zijn. Waar Tenerife overstroomt van het massatoerisme en een jachtige indruk maakt, ademt dit eiland vooral rust en natuurschoon. Het is heerlijk om het stadje voor de deur te hebben, zo bij de bakker en de Spar binnen te kunnen lopen, een koffietje op een terras te kunnen drinken. En het eiland biedt zoveel meer. Er zijn vele tientallen wandelingen uitgezet door zeer verschillende landschappen. Soms loop je door een droge, rotsachtige omgeving bij hoge temperaturen, soms moet je een trui en een regenjas aan als je op hoogte door het nevel-oerwoud loopt. Twee keer hebben we een paar dagen een huurauto om naar de wandelingen toe te rijden, maar we hebben ook de bus genomen voor een wandeling die uiteindelijk (na 7 uur) weer bij de haven uitkwam.

Tussen de wandeling hebben we heerlijke “vrije” dagen, waarin we wat klussen aan de boot (dat houdt nooit op), luieren, zwemmen en snorkelen vanaf het strand. Monique kookt weer super aan boord, maar vaak maken we gebruik van de lekkere en zeer betaalbare kleine restaurantjes waar dit stadje rijk aan is.
 Op 4 november werd ik hier 66 jaar. Monique toverde (via een hulplijn verkregen) verjaardagskaarten tevoorschijn en de tafel stond vol cadeautjes, deels van plaatselijke herkomst. ‘s Avonds trakteerde ze mij op een heerlijk diner in de plaatselijke Parador.
Een dag hebben we besteed aan een introductiecursus “freediven”. Daarbij duik je niet met luchtflessen op je rug, maar probeer je in één ademteug lang en diep onder water te komen en te blijven. Het is heel nuttig om dat te beheersen, bijvoorbeeld als je anker vastzit op 10 meter diepte, of als je iets op een ankerplaats overboord hebt laten vallen. Verder kan het ook heel mooi zijn, als je al snorkelend ook een tijdje wat dieper kunt gaan. En nee, we streven niet naar extremen. Het diepterecord freediven staat op 135 meter, onvoorstelbaar. Wij zijn al blij als we na wat oefenen de 10 meter gaan halen zonder al teveel stress. 

Er is maar één golfbaan op La Gomera, maar dat is meteen een van de mooiste op de Canarische eilanden. We hebben onszelf getrakteerd op een rondje en het was inderdaad fantastisch. Vanaf alle holes uitzicht op zee en op Tenerife met de vulkaan de Teide. Over vulkanen gesproken: vanaf de westkant van het eiland konden we de aswolk op La Palma heel goed zien.
Tijdens ons verblijf hier hoorden we dat mijn dochter Merel met onze 2 kleinkinderen graag een weekje naar de zon wilde komen en dat ze ging proberen dat bij ons in de buurt te doen. Wat een verrassing! Ze is net vanmiddag geland op Tenerife, zijn nu op weg naar hun hotel vlakbij de marina waar we na enige moeite gelukkig weer konden reserveren en daarom varen we daar morgen weer naar toe. Leuk om samen wat tijd door te brengen. Later die week komt Ferdy, Monique d’r beste vriend een paar dagen met zijn vrouw bij ons aan boord, gezellig!!
We zullen La Gomera erg missen, maar we kijken ook uit naar de komende week met familie en vrienden. En daarna, we weten het nog niet. Gaan we nog een ander Canarisch eiland (El Hierro?) bezoeken, of wordt het tijd om de volgende grote stap, naar de Kaap Verden te zetten? Daar gaan we de komende week maar eens naar kijken.

De reis naar Madeira

Vandaag een week geleden vertrokken we vanuit Leixoes, bij Porto, voor een tocht van ruim 600 mijl naar Porto Santo, het meest Noordelijk gelegen eiland(je) van de Madeiragroep. Uitgaand van een gemiddelde van 120 tot 140 mijl per dag zouden we dan op maandag overdag aan moeten komen. We zijn nog wat onzeker over de orka’s en sturen de eerste dag niet in een rechte lijn naar ons doel, maar wat verder van de kust af. Het is lang geleden dat we een tocht van 5 etmalen hebben gezeild en het voelt dan ook onwennig. De eerste middag, avond en nacht is het licht weer, windkracht drie, en we varen een ruime koers. De windvaaninrichting stuurt. Die maakt geen geluid en gebruikt geen energie. Het gaat prima. Er staat een behoorlijke deining, en omdat er weinig winddruk in het zeil is rollen we nogal. Die eerste dag krijgen we tot driemaal toe bezoek van een grote groep dolfijnen. Altijd een feest.
‘s Nachts is het nieuwe maan. De sterrenhemel is overweldigend. De volgende ochtend zijn we ver genoeg uit de kust en verleggen we de koers recht naar Porto Santo. Daardoor komt de wind bijna recht van achteren. Dat is voor zeilers altijd een lastige koers omdat het gevaar bestaat dat de boot erg om zijn lengteas gaat rollen (van links naar rechts). Op de Déesse hadden we daar een mooie oplossing voor gevonden: we zeilen met een uitgeboomd voorzeil (genua) naar loef, dus aan de kant waar niet het grootzeil staat. En achter de voorstag hijsen we een tweede voorzeil (fok) die wel aan dezelfde kant als het grootzeil staat. De fok trekken we dan redelijk strak naar achteren. Deze fok gaat het rollen tegen en zorgt voor meer druk in de genua, waardoor de genua beter vol blijft staan en de snelheid ook nog wat toeneemt. Dit beviel ons zo goed dat we op de Mahimahi wat aanpassingen hebben gedaan zodat we dit zeilplan daar ook kunnen gebruiken. En het werkt! De boot is goed in balans, we rollen veel minder en de windvaan stuurinrichting kan de boot hierbij prima op koers houden. Alles gaat op rolletjes. De voortgang is goed, het weer is aangenaam zonnig, Monique kookt weer de heerlijkste gerechten, de zonnepanelen houden de accu’s vol. We hebben zoveel stroom dat we volledig elektrisch koken (waterkoker en eenpits inductie kookplaatje) en we houden zelfs wat over om de boiler wat op te warmen. De kapitein heeft het helemaal naar z’n zin. Het is gewoon een heerlijk gevoel als alle systemen blijken te werken zoals we het hadden bedacht.


De wind neemt geleidelijk toe tot een dikke windkracht 5. Er gaan riffen in de zeilen. Omdat de windsterkte steeds flink wisselt is het erg lastig de boot goed in balans te houden. En dat is weer nodig om de windvaan goed zijn werk te kunnen laten doen. De golven nemen ook flink toe en komen uit meerdere richtingen. Ze zijn tot ruim 2 meter hoog en vrij steil. Soms duwen ze de boot even uit koers, maar de windvaan kan het allemaal aan. We doen een wachtschema van 3 uur op, drie uur af. Dat houden we ‘s avonds en ‘s nachts strikt aan, overdag zijn we losser. De wacht is in de kuip, controleert regelmatig de koers, de windsterkte en richting, de zeilbalans en let op andere scheepvaart. Tussendoor ligt de wacht ook wel op de kuipbank met de ogen dicht. Je merkt het daar meteen als er iets verandert.
Met het toenemen van de wind en van de zeegang wordt het natuurlijk wel minder comfortabel en soms even spannend. Maar in de loop van de dagen groeit het vertrouwen in de boot en in onszelf en raken we steeds meer ontspannen.
De laatste helft van de tocht is er veel bewolking en valt de opbrengst van de zonnepanelen tegen. Gelukkig hebben we nog een troef, onze nieuwe sleepgenerator. We brengen die in stelling en al is de opbrengst beduidend minder dan die van onze set van 4 zonnepanelen (mét zon tenminste), de accu’s blijven op een acceptabel peil. We kunnen nog steeds elektrisch koken, alleen de boiler warmen we niet meer op.
Steeds verder zuid komend, merken we dat het geleidelijk warmer wordt. Ook de zeewatertemperatuur stijgt, van 20 graden bij vertrek naar bijna 24 graden bij aankomst in Porto Santo. ‘s Nachts is er veel minder condens, het dek en de ruiten blijven droog. Een heerlijk gevoel dat het steeds tropischer wordt.
We hebben onze snelheid duidelijk te laag ingeschat. We doen ruim 150 mijl per dag en het ziet er naar uit dat we niet op maandag overdag, maar op zondagavond gaan aankomen. Hopelijk nog bij licht, want in het donker ankeren op een onbekende plek met ongetwijfeld veel boten voor anker is niet echt leuk. We zijn goed op schema voor een aankomst bij licht, maar de laatste dag valt de wind tegen en het wordt alsnog ankeren bij Porto Santo in het pikkedonker, we zijn maar een uurtje te laat. Hoe zuidelijker we komen, hoe sneller de nacht valt, er is nauwelijks een twilight-zone. 


Volgens traditie vieren we de goede aankomst met bubbels. We kijken terug op een geslaagde meerdaagse tocht, de langste met de Mahi mahi tot nu toe. De omstandigheden waren best pittig, maar ons vertrouwen is gegroeid en het plezier in het zeilen daarmee ook.


We slapen die eerste nacht voor anker maar matig, er staat een behoorlijke deining op de ankerplaats, waardoor we flink rollen. In de ochtend worden we wakker in een prachtige omgeving. Deels vulkanisch landschap, enkele groene heuvels, een kilometers lang strand. Dat is vrij bijzonder en ook juist aantrekkelijk, want het veel grotere Madeira (voluit Madeira grande) heeft juist helemaal geen strand. Het water is azuurblauw en kraakhelder. Er liggen wel 15 boten voor anker, waarvan 4 Nederlandse die we allemaal nog niet kennen. De bijboot gaat te water en we varen eerst naar het havenkantoor voor de formaliteiten. We hebben de vouwfietsen meegenomen om het eilandje te verkennen.

We fietsen langs 10 km strand en lunchen in een tropische setting. We hebben nog volop energie en maken een wandeling naar de Pico Castelo, een mooie groene steile heuvel. Dat het groen is, is te danken aan één persoon, Antonio Schiappa de Azevedo, die er eind negentiende eeuw, grotendeels eigenhandig voor zorgde dat de kale berg herbebost werd. Er was door erosie maar een dunne zandlaag over, die door zware regen steeds wegspoelde. Met keien bouwde hij duizenden muurtjes waardoor miniterrassen ontstonden, waarop hij verschillende soorten bomen plantte. Het resultaat mag er zijn. Het doet ons denken aan de inspanningen van o.a Darwin op Ascension, waar door ingrijpen van de mens een kale berg werd omgetoverd tot een regenwoud, niet om de berg te behoeden voor de regenval, maar juist als “raincatcher”.


De volgende dag zijn we vooral aan boord, we maken kennis met de Nederlandse jachten in de buurt en we nemen het initiatief voor een strandborrel waarbij iedereen ook hapjes meeneemt. ‘s Avonds zijn de bemanningen van 7 jachten van de partij, naast 3 Nederlandse ook een Belgische, een Duitse, een Britse en een Portugese, ruim 20 man. Een heerlijke avond op het strand bij ondergaande zon en later bij ledlantaarntjes. We delen mooie ervaringen. Maar we horen ook van meerdere bemanningen dat zij de overtocht vanaf Portugal (in de hetzelfde weerwindow als wij) als zwaar en vervelend hebben ervaren. Ruige zeeën, slaande zeilen, lawaai, angst, zeeziekte, motorproblemen, falende windvanen. Sommigen moesten er dagen van bijkomen. Voor hun was het dan ook de eerste “lange” oversteek. Op zo’n moment realiseren we hoe ervaren we al zijn, hoe goed het ons lukt de boot te laten “lopen”, ook onder lastige omstandigheden, hoeveel zelfvertrouwen we alweer snel oppikten, hoe we er in slagen onderweg onze rust te nemen. We zijn best een beetje trots op de Mahi mahi en op onszelf.



Portugal: op de plaats rust!

Men zegt wel eens: “de plannen van zeilers worden bij laag water in het strand geschreven”. Want korte tijd later is er al niets meer van over en moeten de plannen worden aangepast. Want tja, bij zeilen ben je erg afhankelijk van het weer, niets is zeker. Nou, niets? Aan sommige wetmatigheden heb je toch wel houvast, zoals de passaatwinden aan weerszijden van de evenaar, daar kun je wel op bouwen. En dat geldt eigenlijk ook voor de “Nortada”, de stevige noordenwind die in de zomermaanden en het najaar altijd langs de Portugese westkust blaast. Met die wind kun je als het moet in een dag of 4 van noordwest Spanje naar de Algarve, de zuidkust van Portugal, varen. Dus toen we eind augustus al in A Coruña waren was het plan als volgt: we hebben bijna 4 weken de tijd om naar de Algarve te gaan. Daar willen we de boot dan 2 weken achterlaten om naar Nederland te vliegen en bij de promotie van mijn dochter Merel te zijn en om aansluitend nog een kleine week aan te sluiten bij het traditionele bridge/golfuitje in Casa Amarilla, het huis van Kees en Renée in de buurt van Marbella. En dan is Sevilla een prima luchthaven om van te vertrekken, goed bereikbaar vanaf de Algarve en vanaf daar ook een leuk ritje naar Marbella. Dus boekten we de vluchten alvast.
Natuurlijk hadden we beter moeten weten.

We waren inmiddels in een van de zuidelijke ria’s van Galicië aangekomen, ria Arousa. Er was weinig wind en als het waaide dan was het uit het zuiden, dus dat schoot niet op. Die “nortada” zou echt nog wel komen. We hadden het enorm naar ons zin, hoor, achter ons anker in ria Arousa. Steeds meer bekende jachten haakten aan op onze idyllische ankerplek. Met de bemanningen van Noorderzon, Make My Day, DanceMe, Heron en Älskling II, hadden we het erg gezellig op ons privé eiland. Later motorden we naar het Isla Ons en naar de Islas Cies. Allemaal eilanden in een natuurgebied, waarvoor je van tevoren een permit moet aanvragen. We maakten met veel plezier gebruik van onze nieuwe zwaardere bijboot met sterkere motor, waarmee we veel makkelijker grotere afstanden kunnen afleggen, bijvoorbeeld om naar een buureiland 1.5 mijl verderop te varen voor een mooie wandeling. Bij Isla Ons vangt Monique een flinke zeepaling in haar fuik. Oei, misschien mocht dat niet eens in dit natuurgebied, maar dat realiseren we ons te laat. Internet blijkt weer eens een uitkomst om erachter te komen hoe je zo’n beest van zijn slijmlaag ontdoet: met veel zout. Dat hebben we niet, maar een andere boot in de baai gelukkig wel. We belonen ze met een stuk van de paling en ‘s avonds smullen we ervan op de barbecue.

Bij Islas Cies ontmoeten we Joshua en Maaike van de Shambala, waarop ze met hun dochtertje Sophie van net twee naar het zuiden varen. We hebben een leuke klik en we barbecueën samen met hen en met de bemanning van de DanceMe, met z’n zevenen op de Mahimahi. Ook hier blijven we een paar dagen liggen, we maken mooie wandelingen, tennissen op de strandjes, maar veel voortgang maken we niet.

“We gaan het niet redden, vóór eind september in de Algarve zijn”, is op een avond onze conclusie. Er zit nog steeds geen noordenwind in de verwachting voor de komende 10 dagen. Misschien daarna wel, maar dat bleek eerder toch vaak niet te kloppen. Er speelt nog iets anders. Sinds 2 jaar is er langs de kusten van Spanje en Portugal een probleem met de Orka’s, of eigenlijk, de Orka’s hebben blijkbaar een probleem met zeilboten. Ze vallen de boten aan en ze hebben het daarbij vooral voorzien op de roeren. Vorig jaar zijn er tientallen incidenten geweest, waarbij de aangevallen boten meestal stuurloos raakten en naar een haven moesten worden gesleept. Het gedonder begint meestal in juli in de buurt van de straat van Gibraltar. Ergens in augustus beginnen ze dan met een langzame tocht langs de zuidkust van Spanje en Portugal en vervolgens noordwaarts richting de golf van Biskaje. Inmiddels zijn er incidenten geweest in de buurt van Lissabon. De trek naar het noorden is dus begonnen, en als we nu verder naar het zuiden zouden varen dan gaan we hun pad kruisen. Dat hoeft natuurlijk niet tot een ontmoeting te leiden, maar het allerliefst willen we dat risico vermijden. De oorzaak voor dit ongekende gedrag van de orka’s is nog niet bekend. Als je er meer over wil lezen dan is dit een aardig artikel.

Tijd dus voor een nieuw plan. We gaan niet naar de Algarve, parkeren de boot in de buurt van Porto, in het noorden van Portugal en zorgen dat we vandaar naar Sevilla reizen om onze vlucht op 23 september te halen. En als het een beetje meezit, zijn de orka’s Porto voorbij, als we na Marbella weer terug aan boord komen. Het plan brengt meteen rust. In plaats van een gevoel van haast, hebben we ineens tijd over. De haven van Leixões, vlak voor Porto is maar 2 dagtochten varen vanaf Islas Cies, waar we inmiddels ook alweer 4 nachten hebben gelegen, gelukkig goed beschut tegen de inmiddels stevige zuiden(!)wind.

We maken ons klaar voor het eerste stuk richting Viana do Castelo, de eerste Portugese haven, die we nog kennen van de vorige keer. Er staat nog steeds een zuidenwind, maar we denken dat het te doen is met het maken van een paar slagen. Dat blijkt vies tegen te vallen. Harde wind op de neus, flink regen uit donkere wolken en ook nog een flinke stroom tegen. Daardoor maken we te weinig voortgang om voor het donker aan te komen. We keren om en varen een stukje terug om in Baiona, nog net Spanje, aan te leggen. De volgende ochtend is het weer veel beter. Eerst is er nauwelijks wind maar na een uur gaat de motor uit. We zeilen! Het gaat niet hard, maar wat is dat lékker, zonder het gedreun van de motor. We worden door meerdere boten ingehaald, maar ze hebben allemaal de motor bijstaan. We voelen ons échte zeilers en we zijn trots.

We varen ruim voor donker de krappe haven van Viana do Castelo binnen, vlak bij de door Gustave Eiffel ontworpen brug over de Rio Lima. De “motorboten” zijn maar ietsjes eerder binnengevaren. 
We beklimmen de trappen naar de bijna 200 meter hoger gelegen Santa Lucia kathedraal. Dat was er in 2013 niet van gekomen. 
De volgende dag is er net zo een. Weer heerlijk rustig zeilend, opnieuw zijn alle andere zeilboten later vertrokken en motoren ze ons voorbij. We begrijpen er niets van. Bang om geen plek meer te krijgen in de volgende haven?

En zo liggen we nu in de haven van Leixões. Kleinschalig, beetje vies industrieel (een menglucht van olie en dode vissen), maar met een supervriendelijke en behulpzame crew, een prachtig strand op loopafstand en leuke restaurantjes dichtbij. De Mahi mahi blijft hier tot begin oktober. Het is even “op de plaats rust”. De komende week komen we toe aan een aantal klussen die nog waren blijven liggen, en blijkbaar zijn die toch veel makkelijker te doen als je afgemeerd ligt in een haven dan voor anker. En het is ook nog eens hartstikke goedkoop. We betalen hier voor een maand minder dan in andere havens (zoals Porto zelf) voor een week. En ja, de komende dagen lijkt de “nortada” eindelijk te gaan waaien. Hopelijk doet hij dat over een paar weken nog steeds, of wéér!

PS: klik ook eens op deze link. Dan zie je de track van de Mahi mahi vanaf Frankrijk. Het is interactief, door op de koerslijn te klikken zie je de datum, tijd en onze snelheid. Ook de weergave van de wind kun je aanpassen.

Adieu la France, Hola España!

De nacht aan de ankerboei op het riviertje de Charente viel vies tegen. Afgaand tij, flinke stroming daardoor, en een harde wind op de kont die de boot over de ankerboei heen probeert te duwen. We zwaaien met boei en al van links naar rechts, erg onrustig. Later in de nacht, bij opkomend tij zijn wind en stroming gelijkgericht en keert de rust weer, waardoor we toch nog een paar uur kunnen slapen. ’ s Morgens vaart de havenmeester (tevens stuurman van het plaatselijke pontje) even langs om ons te wijzen waar we ons havengeld kunnen betalen. We peddelen met de bijboot naar de kant en na een mooie wandeling in de omgeving komen we met een zak vol zelfgeplukte bramen en mirabellen weer terug aan boord.

We varen een paar mijl verder de rivier op, naar het plaatsje Rochefort, waar ook een haventje is. De toegang naar dat haventje is alleen een half uur rond hoog water open, en alleen als dat hoog water tussen 06.00 en 21.00 valt. Dus meestal maar één keer per dag. We hadden het goed getimed en we konden meteen naar binnen. Dat beviel goed, geen last van de stroming en weinig last van de nog steeds stevige wind. Rochefort is een vestingstadje met een rijke maritieme militaire historie. Er is nog een touwslagerij en er worden oude schepen tentoongesteld. Vroeger was hier zelfs de opleiding voor scheepsartsen gevestigd. We liggen te midden van de historische gebouwen. Het stadje is opvallend ruim opgezet met brede straten, pleinen en parken. We hebben dit keer de musea gelaten voor wat ze zijn, maar vooral genoten van de rust die het stadje ons bood tijdens een paar onstuimige dagen. Ook gebruikten we deze tijd om een plan te maken voor de (weliswaar korte) oversteek van de golf van Biskaje. Gaan we nog verder zuid langs de Franse kust tot aan de grens? De tapas schijnen namelijk nergens zo lekker te zijn als in San Sebastián! Maar daarna wacht dan wel meer dan 250 mijl Spaanse noordkust, met mogelijk hinderlijke deining uit noord en/of west, die de voortgang kan bemoeilijken en een aantal havens onbereikbaar kan maken. Ikzelf (Pieter) zag daar nogal tegen op, bang om veel vertraging op te lopen. Monique ziet dat veel luchtiger, “dat komt allemaal vast goed”. Zelf zou ik bijvoorbeeld een paar dagen goed weer willen gebruiken om in 1 keer naar Gijón, te varen, dan heb je tweederde van die kust al maar gehad! We willen tenslotte voor eind september in zuid Portugal zijn, om een paar dagen op en neer te vliegen voor de promotie van Merel. Daar wil ik als trotse vader natuurlijk bij zijn. 

Rochefort bleek een prima plek om dit dilemma te bespreken en ook om eens even rustig terug te kijken naar de eerste 6 weken van onze reis. We zijn nog maar zo kort op pad, en we hebben al zoveel meegemaakt. We hebben ook nog weinig tijd gehad (of genomen) om alles wat er in de afgelopen maanden is gebeurd te laten bezinken. Voor mij zijn dat toch het stoppen met mijn werk, de drukke tijd met het klussen aan de boot en het werk in de vaccinatiestraat en ook is het afscheid nemen van familie en vrienden me dit keer zwaarder is gevallen dan bij de vorige reis. Ik merk dat ik af en toe niet echt op de genietstand sta, ondanks al het moois dat we meemaken. Het helpt om het daar samen in Rochefort rustig over te kunnen hebben.

We besluiten om vanaf de Charente eerst naar Île d’Oléron te varen en vanaf daar over te steken naar Santander, op ongeveer een derde van de Spaanse noordkust, een tocht van ongeveer 200 mijl. We kiezen niet voor een verder westelijk doel omdat er in dat deel van de Golf van Biskaje nauwelijks wind lijkt te staan en omdat we later graag langs de “Picos d’Europa”, een bergketen net achter de noordkust van Asturia, willen varen.

Vanuit Rochefort maken we nog een fietstocht van zo’n 50 km door de Charente, wat weer een flinke bramen-oogst oplevert. Op maandag 9 augustus is het zover. Er komt beter weer aan, de zuidwestenwind gaat plaats maken voor noordoostenwind en we gaan ’s morgens om 6 uur (want dan is het hoog water) door het sluisje, richting St Denis op de punt van Île d’Oléron. Een tochtje van een uur of 6, maar omdat we in St Denis ook pas bij hoog water naar binnen kunnen liggen we voor de haveningang een paar uur “bij”. Je hebt de zeilen dan zo staan dat je vrijwel stilligt in het water en alleen meedrijft met de stroming.

Het haventje is best vol, dus worden de boten maar tegen elkaar aan gestapeld. We laten de 4 buren (die tegen ons aan gelegd worden) weten dat we de volgende ochtend bij hoog water weer willen vertrekken, en dat ze dus geacht worden dan wakker te zijn om hun boot te verplaatsen. Niemand moppert, men is dat gewend. We genieten in de haven nog één keertje van Franse oesters op het terras.

Het wordt een rustige tocht van een kleine 2 dagen, grotendeels voor de wind met uitgeboomde genua. Monique ziet ’s nachts 8 vallende sterren van de Perseïden. Overdag zwemmen er ineens twee walvissen achter de boot die een keer of 4 boven water komen, en vlak voor binnenkomst worden we verwelkomd door een enorme groep blij rondspringende dolfijnen die een klein uur rond de boeg blijven meezwemmen. Rond 23 uur komen we aan en in het pikkedonker laten we het anker vallen onder het Magdalena schiereiland van Santander. Er liggen een paar bootjes voor anker, sommige zonder ankerlicht. Het ankeren in het donker is best lastig omdat je de afstanden zo slecht kunt inschatten. We drinken een glas op de goede aankomst, met op de achtergrond de geluiden van een life concert op de kant. We liggen er prima. Veel beter dan in de jachthaven, die een eind buiten de stad ligt.

De volgende ochtend nemen we een duik, we blazen de bijboot op en roeien naar het dichtbijgelegen strandje. We maken een lange wandeling langs de hoogtepunten van Santander, waaronder het zomerkasteel op Magdalena en het beroemde Playa Sardinero. De drukte op de stranden wordt nauwlettend in de gaten door gehouden en overal word je geattendeerd op de mondkapjesplicht. ’s Avonds krijgen we bezoek van Caroline en Johán van de Baby Blue. Zij lagen in de marina, maar zijn nu ook naar onze ankerplek gekomen.

De wind is dan wel gunstig, maar er blijft ook de komende dagen een nare swell (deining) staan uit het noordwesten. Daardoor zijn een aantal haventjes aan de noordkust slecht toegankelijk (de golven breken dan bij de ingang van de baai, waar het ondiep wordt) of gewoon oncomfortabel. We besluiten daarom de volgende dag en nacht maar weer een flinke ruk van 100 mijl te maken naar Avilés. De haven is veilig aan te lopen, maar de pilot belooft verder niet veel goeds: “considerable industrial and commercial port. A good place to leave a yacht, but a poor one to visit”. Maar wij hebben anders gehoord en we wagen het er op. 

Het zeilen is heerlijk. De boot loopt als een speer. Er staat een deining van meer dan 2 meter, maar die hindert niet bij het zeilen. De hoge golven lopen netjes onder de boot door. Het weer is verder matig. Af en toe wat drizzle en lage wolken waardoor het zicht op de Picos volledig ontnomen wordt. Dat is wel heel jammer. We gaan veel sneller dan verwacht, we hebben de hele tocht ook nog eens 1 knoop stroom mee, waardoor we al om 3 uur in de ochtend bij de aanloop zijn. De laatste paar mijl van de rivier zijn verbreed en uitgediept, met betonnen kades aan weerszijden, waarlangs zeeschepen worden afgemeerd. Zo is een grote commerciële haven ontstaan, maar in een opvallend mooie omgeving door de heuvels eromheen. Ook nu in de nacht worden sommige schepen geladen of gelost. Voordeel voor ons is dat er veel licht is als we de rivier opvaren, het lawaai is natuurlijk minder fijn. Maar aan het eind is er een kleine jachthaven, waar we heel makkelijk aan een steiger kunnen aanleggen. We zoeken snel onze kooi op en slapen tot half 12 die ochtend. 

Het kantoor van de havenmeester is gesloten. Per telefoon stuurt hij ons de codes voor het hek. Betalen kan mañana. Het plaatsje blijkt een parel. Alsof je in een openluchtmuseum loopt. Marmer geplaveide straten, allemaal oude gevels, veel hoogteverschillen, kleine parkjes, overal terrasjes, maar nooit overdreven toeristisch. We worden blij van het lopen door de straten. Bij de lunch en ’s avonds staan mensen voor de restaurants in de rij. Eten en drinken is erg goedkoop, dat geldt trouwens voor de hele Noord Spaanse kust. Een biertje voor €1.70 en dan krijg je er nog gratis een tapa bij!

Op de grens van de stad en de haven is een groot museum/theatercomplex gebouwd, ontworpen door de Braziliaanse architect Oscar Niemeyer. Centraal staan ronde vormen en gebogen lijnen. In de gebouwen zijn twee mooie exposities te zien. ’s Avonds wonen we er een gratis voorstelling van volksmuziek en dans uit verschillende Spaanse regio’s bij. Niet helemaal onze muziek, maar toch leuk om dit festival mee te maken. We blijven een extra dag in Aviles, ’s morgens klussen we aan de boot, ’s middags en ’s avonds dompelen we ons weer onder in muziek, straatleven, tapas en wijn.

Op maandag varen we weer verder naar het westen. Het blijft maar grijs, we verlangen naar de zon, al is de temperatuur van 20 graden prima. Er is nóg een verschil met varen in Frankrijk. In Bretagne en langs de Vendée-kust zie je altijd tientallen andere zeilers. Soms liggen er meer dan 100 boten op een ankerplaats. Frankrijk is een zeilerswalhalla, ieder stadje heeft een grote marina, overal zijn er (beroemde) zeilscholen. Winnende zeilers zijn nationale helden. In Spanje kom je soms op een dag maar 2 of 3 andere zeilboten tegen. Op een ankerplaats lig je hooguit met een paar boten. Er zijn hier en daar kleine haventjes, maar met vooral motorbootjes van sportvissers, weinig zeilboten. 

Ook nu moeten we mooie ankerplaatsjes laten liggen, vanwege de aanhouden swell uit het noordwesten. Na een dag zeilen komen we aan in de marina van Ribadeo, waar een ongeduldige havenmeester ons naar een uiterst oncomfortabele ligplaats dirigeert. Het havenkantoor gaat zo sluiten, en als we ons daar niet meteen melden hebben we geen sleutel van het hek. Okee, het is 9 uur ’s avonds, maar een beetje vriendelijker had ook gekund. De havenmeester spreekt, zoals de meeste Spanjaarden, geen woord Engels. Ook wat langzamer spreken blijkt teveel gevraagd.  Vlak na het binnenvaren valt ons oog op een prachtig Zweeds kontje met een Nederlandse vlag. Een Forgus 37, zoals de Déesse! Het is te laat om nog langs te gaan, maar de volgende ochtend kloppen we meteen aan. Charles en Ans zijn de trotse eigenaren. Ze ontdekten de boot een paar jaar geleden toen die in Zeeland op de kant stond te verkommeren. Pas een jaar later mochten ze haar kopen van de 85-jarige eigenaar die er maar moeilijk afstand van kon doen. Ze zijn (net als wij gedurende 15 jaar Déesse) helemaal verliefd op het schip. We waren meteen welkom voor een kop koffie en we raakten haast niet uitgepraat over hun en onze ervaringen. Wat een leuke ochtend, wat een leuke mensen. En wat een bijzonder toeval om ons oude zusterschip hier in Spanje te ontmoeten. Er zijn er maar ruim 40 van gebouwd en slechts 2 hebben de Nederlandse vlag.

Het plaatsje Ribadeo haalt het niet bij Avilés, maar ook hier is het eten zeer de moeite waard en doen we ons te goed aan pulpo, scheermesjes en calamares. We tillen onze vouwfietsen uit de garage (dat duurde op de Déesse een half uur, maar nu gaat dat in een paar minuten) en fietsen en wandelen een stuk langs de kust.

Vandaag (woensdag) hebben we een korte zeildag naar de eerste echte ria (oude riviermonding, de rivier is meestal verdwenen) in Galicië, noordwest Spanje. Ook nu is het een grijze dag, al lijkt verder op zee de zon te schijnen. We proberen voor het eerst onze sleepgenerator, een dynamo met een propeller er aan, die stroom opwekt door onze snelheid door het water. Dat is wel fijn, nu we het niet van de zonnepanelen moeten hebben. Het werkt uitstekend. Ook nu hebben we, zoals al langs de hele noordkust, bijna een knoop stroom mee. Doordat we een stuk de ria in kunnen varen, lukt het om een ankerplek te kiezen die zowel beschut is tegen de deining (noordwest) als tegen de golven (veroorzaakt door de noordoostenwind). Het is heerlijk om weer voor anker te liggen. Monique pompt meteen haar paddelboard op en SUP-t een rondje door de baai. De avond valt, we liggen in ons eentje. Zo meteen nog een filmpje in onze bios en dan lekker in ons (toch nog wat deinend) bed. En morgen wordt zelfs zon verwacht!

Ik ben zelf weer lekker in balans, alles heeft een plek gekregen en ik geniet met volle teugen.

Bretagne!

Wat heeft Bretagne veel gezichten. Gisteren grijs en nat, vannacht onstuimig, zware storm, vandaag lieflijk, zonnig, zomers.

Maar we waren nog in Boulogne-sûr-mer, eigenlijk waren we daar gestrand omdat we het vele motoren zat waren. Misschien wel de helft van de tijd van de eerste etappe en dat past niet bij ons. Als er geen wind is, dan wachten we. Maar aanvankelijk was de drang om zuidwaarts te gaan groter en daarom hesen we tijdelijk het ijzeren zeil. Na 2 nachten in Boulogne wilden we verder, naar Cherbourg en liever nog verder, naar Bretagne. Bretagne was ons eerste reisdoel, nadat we ons oorspronkelijke plan, Schotland, vanwege covid-perikelen moesten laten varen. Het liefst waren we non-stop naar noord-Bretagne gevaren, maar dat liet het weer niet toe.

We kunnen nu gelukkig het grootste deel van de tocht zeilen. Langs Cherbourg komen we niet, door de sterke tegenstroom, dus maken we daar een getijde-stop. Kwam ook wel goed uit, we hadden wat technische probleempjes. Onze nieuwe navigatie-instrumenten laten ons af en toe in de steek, de autopilot geeft er op onverwachte momenten de brui aan en de drinkwaterpomp draait dol. De plotter doet denken aan HAL, de computer uit Kubricks “2001 A Space Odyssee”, die een soort van iatrogene dementie krijgt: ineens is hij een groot deel van de digitale kaarten “vergeten”, die hij een paar uur eerder nog trots toonde. Erg onhandig. Gelukkig hebben we een digitale back-up, en als we goed zoeken ook nog wel een papieren. Maar het blijft balen. Dus konden we tijdens de getijde-stop even contact opnemen met Ben, van Vrolijk Watersport, die ons in dit soort zaken bijstaat. Ook kon ik even bellen met Tom, mijn kleinzoon, die die dag 4 werd. 

Na een paar uurtjes konden we weer verder, op naar Noord-Bretagne. Grote dikke dolfijnen zwaaien ons uit. Eigenlijk is Zuid-Bretagne ons doel, volgens Harrie en Roosje schijnt de zon daar vaker, heb je minder last van het getij, zijn de oesters sappiger en ankerplekken vriendelijker. Maar ja, eerst moet je toch echt langs Noord Bretagne en vervolgens een paar uitdagende hordes nemen voor je dit paradijs bereikt. 

’s Nachts is de mist zo dik dat onze navigatielichten voor gekleurde muren rondom de boot zorgen, wit, rood en groen. We kunnen geen 20 meter zien. Andere schepen zie je op de elektronische kaart omdat ze een AIS signaal uitzenden. In Nederland doen vrijwel alle boten dat, nou, in Frankrijk niet hoor! Gelukkig werkt de nieuwe radar uitstekend en kunnen we makkelijk vrij blijven van de schepen die we tegenkomen.

Om 10 uur in de ochtend komen we aan in Roscoff. Prachtige nieuwe Marina. En we ontmoeten Herco en Elvira, medevertrekkers op de Morgane of Sark, waarmee we al een tijdje contact hebben, maar nog nooit “life”. Elvira is die dag jarig, en we kunnen nog net even op de koffie, voor zij naar l’Aber-Wrac’h vertrekken. Ja, we zijn in Bretagne, waar het Bretons, een oude Keltische (nee, geen Gallische) taal nog steeds belangrijk is. 

We graven voor het eerst onze nieuwe vouwfietsen uit (6 versnellingen!) en de volgende dag maken we een uitstapje per ferry naar Île de Batz, dat vlak voor de kust ligt. We fietsen het eiland rond en bezoeken de prachtige botanische tuin. We zijn nog geen week van huis, maar het lijkt of we al 3 weken vakantie hebben.

Toch willen we graag verder, Zuid-Bretagne lonkt. We weten dat er over een paar dagen slecht weer aan komt, een zware storm uit het zuidwesten. Dat betekent een paar dagen stil liggen, en dat doen we het liefst op een wat idyllischer plek. Eigenlijk kijken we er ook naar uit om een paar dagen niet te varen, ons to-do-lijstje weg te vinken, misschien zelfs eens een tijdschrift of boek lezen. Dus we zetten koers naar l’Aber-Wrac’h. De tocht is pittig, de verwachte stroom-mee blijft uit, het regent in het laatste stuuk, loodzware luchten, en de bestemming valt een beetje tegen. De volgende dag zien we nog ruimte om de eerste echte horde te nemen, het Chenal du Four, de nauwe straat aan de westpunt van Bretagne, tussen het vasteland en Île de Ouessant (Ushant). De wind is tegen, we kruisen het hele stuk, maar het zeilen is geweldig en na een lange dag komen we ’s avonds aan in Camaret, met een beetje goede wil mag je dit het begin van Zuid-Bretagne noemen. Het lijkt ons een goede plek om de storm van de volgende nacht uit te zitten. Er is plaats in de haven, een aantal jachten heeft namelijk bedacht dat ze Camaret niet zo’n geweldige plek voor de storm vinden en zijn uitgeweken naar Brest.

De eerste dag na aankomst doen we niet zoveel: het regent en wij zitten knus binnen. In de middag zijn we uitgenodigd bij de Dutch Osprey, bij Anneke en Cees, zeer ervaren zeilers, dit keer op weg naar de Mediterranee. Door hun verhalen raken we ook enthousiast over die bestemming; life is too short…..

Terwijl de wind al toeneemt, eten we ’s avonds nog even aan de kant in een restaurantje, lekker op een terras uit de wind, zonder de huilende en fluitende tonen van de wind door de stagen. De boot ligt goed gezekerd, maar van slapen komt die nacht niet veel. Wind van meer dan 50 knopen (110 km/u), de boot houdt zich goed, maar het blijft spannend. Om 04.00 ’s nachts wordt de wind wat minder en kunnen we wat slapen. Hier geen schade aan boten (in Brest wel horen we!), alleen een losgebroken steiger zonder verdere consequenties.

Het front heeft de lucht gezuiverd. Er is zon! De kleuren van de zee, van de rotsen, van de bootjes zijn feller, het ruikt ineens zomers. We maken een prachtige wandeling langs de kust. De paars bloeiende heide is overweldigend. De route gaat langs vele bunkers en geschutsposities uit oorlogen van de Napoleontische tijd tot de tweede wereldoorlog. Je loopt tussen honderden kraters van geallieerde bommen. De hei lijkt daarin nog feller te bloeien. En op de terugtocht lopen we onverwacht langs een veld vol menhirs, opgesteld in een grote “U”, ze vinden het hier blijkbaar zo gewoon dat er niet eens een bord met uitleg of een markering bij staat. De straat heet wel “Route du menhirs”, dus we hebben het niet verzonnen.